Financiele column by Pedro Henrique Fuego (nom de plume)
In deze columns deelt Pedro H. zijn "take on the world of finance" met jou
(disclaimer; deze column is geen financieel advies en kan niet als zodanig worden gebruikt, win altijd advies in van een deskundige)

Niet olie, maar voedsel; de onderschatte economische dreiging door de afsluiting door Iran van de straat van Hormuz
Analyse | Opinie
Inleiding
Bij oplopende spanningen in het Midden-Oosten richten markten hun aandacht vrijwel automatisch op olie. Dat is begrijpelijk, want de Straat van Hormuz is een van de belangrijkste knelpunten in de mondiale energievoorziening. Zodra de doorgang onder druk komt te staan, reageren olieprijzen, tankermarkten en energieaandelen vrijwel direct.
Maar wie uitsluitend naar olie kijkt, ziet slechts een deel van het risico. Een verstoring rond Hormuz raakt niet alleen de energiestromen, maar ook de aanvoer van kunstmest, vloeibaar gas en andere essentiële grondstoffen voor de landbouw. Daarmee dreigt een geopolitieke crisis zich te vertalen in een bredere economische schok, met gevolgen voor voedselprijzen, koopkracht, renteverwachtingen en financiële stabiliteit.
Voedsel
De kwetsbaarheid zit in de keten. De moderne landbouw is in hoge mate afhankelijk van kunstmest, en de internationale handel daarin is sterk verweven met de Golfregio. Wanneer transportstromen door Hormuz vertragen of stilvallen, lopen niet alleen de energiekosten op, maar ook de kosten van landbouwproductie. Dat werkt door in vrijwel de gehele voedselketen.
Het economische effect daarvan is aanzienlijk. Hogere kunstmestprijzen betekenen voor boeren hogere kosten of lagere opbrengsten. In beide gevallen komt er druk op de voedselproductie. Die druk verplaatst zich vervolgens naar verwerkers, distributeurs en supermarkten, en uiteindelijk naar de consument. Waar hogere olieprijzen vooral zichtbaar zijn aan de pomp, zijn hogere voedselprijzen voelbaar in het dagelijks leven van vrijwel ieder huishouden.
Dat maakt voedselinflatie in economisch en maatschappelijk opzicht vaak ontwrichtender dan energie-inflatie. Consumenten kunnen autoritten beperken of investeringen uitstellen, maar zij kunnen hun basisuitgaven aan voeding niet eenvoudig terugschroeven. Juist daardoor tasten stijgende voedselprijzen de koopkracht direct aan en vergroten zij de kans op sociale onrust, vooral in landen waar huishoudens een groot deel van hun inkomen aan voedsel besteden.
Voor centrale banken is dat een lastig scenario. Een nieuwe inflatiegolf die niet primair door energie maar door voedsel wordt gevoed, is hardnekkiger van aard. Zij raakt de kern van het consumptiepatroon en kan renteverlagingen bemoeilijken. Dat betekent dat een conflict rond een maritieme handelsroute uiteindelijk kan uitmonden in strakkere financiële condities, lagere groei en verslechterende kredietkwaliteit.
Daarmee ontstaat een patroon dat markten vaker pas laat herkennen. Een verstoring begint in een ogenschijnlijk afgebakend deel van de wereldeconomie, in dit geval een geopolitiek en logistiek knelpunt. Daarna volgen prijsstijgingen in specifieke grondstoffen. Pas in een later stadium wordt zichtbaar dat het probleem systemisch is: hogere inputkosten, oplopende consumentenprijzen, terugvallende bestedingen en meer druk op balansen van bedrijven en huishoudens.
Ook Europa is daarvoor niet immuun. De regio is gevoelig voor energieprijzen, afhankelijk van internationale toeleveringsketens en kwetsbaar voor nieuwe voedselinflatie. Bovendien ontstaat in tijden van schaarste vaak een ongelijke verdeling van aanbod: rijke regio’s kunnen hogere prijzen betalen en blijven bevoorrading aantrekken, terwijl zwakkere economieën sneller in de knel komen. Economisch is dat verklaarbaar, politiek is het potentieel destabiliserend. Voor beleggers ligt daar eveneens een belangrijke les. Niet iedere crisis begint in de financiële sector, maar veel crises krijgen daar uiteindelijk wel hun neerslag. Als voedsel- en energieprijzen gelijktijdig oplopen, verslechtert de financiële positie van consumenten, boeren, transportbedrijven en andere kwetsbare schakels in de economie. Wat begint als een geopolitieke dreiging, kan zo via inflatie en lagere koopkracht alsnog doorwerken in kredietverliezen en een bredere economische vertraging.
Hand op de knip
De grootste fout die beleidsmakers en financiële markten nu kunnen maken, is deze situatie uitsluitend te benaderen als een klassieke oliecrisis. Dat zou de analyse te beperkt maken. Het wezenlijke risico zit in de combinatie van energie, kunstmest, voedsel en inflatie. Juist die samenloop kan een regionale escalatie omzetten in een mondiale economische schok.
De waarschuwing is daarom helder: wie alleen naar de olieprijs kijkt, onderschat de werkelijke omvang van het risico. Als de verstoringen rond Hormuz aanhouden, kan de volgende inflatiegolf niet alleen zichtbaar worden aan de pomp, maar vooral in de supermarkt. En zodra voedselprijzen structureel onder druk komen te staan, raakt dat niet alleen de consument, maar ook het monetair beleid, de kredietverlening en uiteindelijk de economische stabiliteit.
De vraag is dan niet meer of de gevolgen breed voelbaar worden, maar hoe snel.

Een nieuwe kredietcrisis in de maak? De schaduw van 2008 boven Wall Street.
Analyse | Opinie
Niet de huizenmarkt, maar private credit begint barsten te vertonen
In de financiële wereld duikt een woord weer op dat beleggers jarenlang liever niet hoorden; credit crunch. Niet omdat banken plotseling massaal omvallen of omdat de Amerikaanse huizenmarkt instort zoals in 2008. Maar omdat ergens anders in het financiële systeem een scheur zichtbaar wordt. En zoals de geschiedenis leert, beginnen financiële crises vaak precies zo: klein, lokaal en door velen aanvankelijk onderschat.
De huidige spanningen komen niet uit de hypotheekmarkt, maar uit de snel gegroeide wereld van private credit. Dat zijn bedrijfsleningen die niet door banken worden verstrekt, maar door grote vermogensbeheerders en gespecialiseerde fondsen. In de afgelopen tien jaar groeide deze markt explosief tot ongeveer twee biljoen dollar. Grote namen zoals BlackRock, Blackstone en Blue Owl Capital spelen daarin een centrale rol.
Om te begrijpen waarom dit belangrijk is, moeten we terug naar de financiële crisis van 2007–2008. Toen lag de oorzaak bij risicovolle Amerikaanse hypotheken. Banken hadden enorme hoeveelheden van die leningen verpakt in complexe obligaties. Toen huizenprijzen begonnen te dalen en wanbetalingen opliepen, bleek dat veel van die producten veel minder waard waren dan gedacht. Vertrouwen verdween en het kredietsysteem bevroor.
Vandaag is het mechanisme anders, maar het principe vergelijkbaar. Na de financiële crisis werden banken streng gereguleerd. Ze moesten meer kapitaal aanhouden en mochten minder risico nemen. Daardoor ontstond ruimte voor andere spelers. Vermogensbeheerders en private-equityhuizen sprongen in dat gat en begonnen zelf bedrijfsleningen te verstrekken. Pensioenfondsen, verzekeraars en vermogende particulieren investeerden massaal in deze fondsen omdat ze hogere rentes boden dan traditionele obligaties.
Jarenlang leek dat een perfecte constructie. Bedrijven kregen snel financiering, beleggers kregen een aantrekkelijk rendement en banken hielden hun balansen schoner. Maar precies daar begint nu de kwetsbaarheid zichtbaar te worden.
Veel private-creditleningen zijn verstrekt aan zogenoemde middle-market bedrijven: middelgrote ondernemingen met relatief hoge schulden. Zolang de economie groeit en de rente laag blijft, is dat beheersbaar. Maar de afgelopen jaren is de rente fors gestegen. Daardoor zijn de rentelasten voor veel van deze bedrijven aanzienlijk hoger geworden.
Het gevolg is dat het aantal wanbetalingen begint op te lopen. Sommige analyses laten zien dat het percentage defaults in private credit inmiddels richting negen procent beweegt. Dat is historisch hoog voor deze markt. Voor beleggers betekent dat niet alleen minder rente-inkomsten, maar ook onzekerheid over de werkelijke waarde van de leningen in hun portefeuilles.
Die onzekerheid werd begin dit jaar concreet toen verschillende private-creditfondsen te maken kregen met grote verzoeken van beleggers om geld terug te trekken. Bij fondsen van onder andere Blackstone, een kredietfonds dat onder BlackRock valt, moesten opnames tijdelijk worden beperkt. Dat gebeurt omdat de onderliggende leningen moeilijk snel te verkopen zijn. Anders gezegd: beleggers denken dat hun geld liquide is, maar de investeringen zelf zijn dat niet.
Ook Blue Owl Capital kwam onder druk te staan. Het bedrijf verkocht miljarden aan kredietactiva om beleggers uit te betalen en moest bij sommige fondsen de normale opnamestructuur aanpassen. Dat soort berichten werkt als een schokgolf op de beurs. Aandelen van bedrijven die sterk afhankelijk zijn van private credit reageerden direct met forse koersdalingen.
Toch betekent dit niet automatisch dat de wereld op de rand van een nieuwe financiële crisis staat. Er zijn belangrijke verschillen met 2008. Amerikaanse banken zijn vandaag veel sterker gekapitaliseerd en staan onder strenger toezicht. De hypotheekmarkt, destijds het epicentrum van de crisis, is relatief gezond. Huishoudens hebben gemiddeld betere balansen en minder risicovolle leningen.
Maar waar de vergelijking met de huizencrisis wel relevant wordt, is in de structuur van het financiële systeem. Net zoals vóór 2008 is een groot deel van het krediet verschoven naar een minder gereguleerd deel van de markt: de zogenoemde shadow banking sector. Daar vallen hedgefondsen, private-equityhuizen en private-creditfondsen onder. Het zijn instellingen die enorme hoeveelheden krediet verstrekken, maar niet dezelfde buffers hebben als banken.
Precies daar zit de kwetsbaarheid. Wanneer beleggers hun geld willen terughalen, kunnen fondsen gedwongen worden leningen te verkopen of opnames te beperken. Dat kan weer leiden tot lagere waarderingen elders in de markt. Zo kan stress zich verspreiden door het financiële systeem.
Voorlopig lijkt de situatie eerder op een sectorcorrectie dan op een systeemcrisis. De Amerikaanse economie groeit nog, banken verstrekken krediet en de kapitaalmarkten functioneren. Maar de spanningen rond private credit laten wel zien hoe snel een financieel succesverhaal kan omslaan.
De echte vraag voor de komende maanden is daarom niet of morgen een nieuwe financiële crisis uitbreekt. De vraag is of de enorme groei van de schaduwbanksector een punt heeft bereikt waarop lokale problemen kunnen overslaan naar het bredere financiële systeem.
Wie de geschiedenis kent, weet dat crises zelden beginnen waar iedereen kijkt. In 2007 begon het met een kleine scheur in de Amerikaanse hypotheekmarkt.
Vandaag kijken beleggers naar een andere hoek van Wall Street: niet naar huizen, maar naar bedrijfsleningen buiten het banksysteem. En de vraag die boven de markt hangt is dezelfde als bijna twintig jaar geleden:
hoe sterk blijft het systeem wanneer het vertrouwen begint te wankelen?

Benzineprijs in Nederland veel te hoog
De pompprijs in Nederland is geen natuurverschijnsel. Hij is in belangrijke mate een beleidskeuze. Wie nu €2,508 per liter voor Euro95 betaalt, rekent niet alleen af voor olie, raffinage en logistiek, maar vooral voor een fiscale constructie die in Nederland uitzonderlijk zwaar is: een hoge accijns per liter én btw over alles, inclusief die accijns.
Hoe de benzineprijs in Nederland is opgebouwd.
De twee grote heffingen zijn accijns (een vast bedrag per liter) en btw (een percentage dat wordt geheven over de som van product, marge én accijns). Bij een adviesprijs van €2,508 per liter komt de opbouw grofweg neer op:
- • Accijns: €0,8447 per liter
- • Btw-component in de pompprijs: circa €0,435 per liter
- • Totaal belasting (accijns + btw): circa €1,280 per liter
- • Netto product + keten (olie/raffinage/logistiek/marge): circa €1,228 per liter
Met andere woorden: ruim €1,28 van elke liter is overheid. En dat is precies waarom Nederland structureel aan de top zit.
Vergelijking met België, Duitsland, Frankrijk en Spanje.
Onderstaande tabel zet Nederland (adviesprijs) naast de laatst bekende gemiddelde pompprijzen in de genoemde landen. De kern: Nederland combineert een hoge vaste accijns met btw die óók over die accijns wordt geheven. (zie de tabel)
De uitkomst is voorspelbaar: Nederland kent een fiscale bodem die de pompprijs omhoog duwt, los van de vraag of olie een week hoger of lager staat.
Wat verdient de overheid extra sinds de oorlogsschok?
Een veelgehoord misverstand is dat de staat bij een hogere pompprijs automatisch ‘extra accijns’ binnenhaalt. Dat klopt niet: accijns is een vast bedrag per liter. De meevaller zit vooral in de btw, omdat die meebeweegt met de prijs.
Als de adviesprijs grofweg van €2,28 naar €2,508 stijgt, is dat €0,228 per liter extra. De btw die in een pompprijs zit, is prijs × 21/121. Daarmee komt de extra btw uit op circa €0,0396 per liter.
Bij een orde van grootte van circa 15,5 miljoen liter benzine per dag betekent dat ruwweg €0,6 miljoen extra btw per dag. Over twee weken prijsstress is dat ongeveer €8–9 miljoen extra btw (alleen benzine, orde van grootte). Gedragseffecten zoals minder rijden of tanktoerisme dempen dit, maar het principe blijft: btw werkt als automatische meelifter. Als we ook nog eens diesel zouden meenemen in dit verhaal dan stijgt de extra btw ontvangst voor de overheid tot minimal het dubbele bedrag.
Waarom is benzine nu hoger terwijl olie soms lager is dan ‘vroeger’?
Omdat de pompprijs allang geen simpele afgeleide meer is van de ruwe olieprijs. Drie factoren domineren:
1) Belastingbodem. Een groot deel van de literprijs is vaste accijns en btw. Dat deel verdwijnt niet als olie zakt.
2) Btw over accijns. Nederland heft btw niet alleen over product en marge, maar ook over accijns. Elke stijging aan de pomp levert de schatkist dus extra btw op.
3) Ketenfactoren. Raffinagemarges, logistiek, voorraden en risico-opslagen bewegen soms sterker dan de olieprijs zelf, zeker in geopolitieke stress.
De hoge benzinebelasting is geen bijwerking, maar het systeem
De kern is simpel: Nederland heeft autorijden tot fiscale melkkoe gemaakt. Met een adviesprijs van €2,508 bestaat de liter Euro95 voor een fors deel uit accijns en btw, en de btw loopt ook nog eens mee met elke schok in de wereld. Dat levert de staat automatisch extra inkomsten op, terwijl de automobilist aan de pomp geen enkele onderhandelingsmacht heeft.
Je kunt dit verkopen als ‘prikkelbeleid’. Je kunt het framen als ‘verduurzaming’. Maar zolang Nederland vasthoudt aan een uitzonderlijk hoge belastingdruk op benzine en btw rekent over de accijns blijft de uitkomst voorspelbaar: benzine in Nederland is structureel veel te duur.

Groei Nederlandse overheid maakt de Nederlander armer
Er zijn cijfers die niet schreeuwen, maar knagen. De Nederlandse overheidsuitgaven zijn gestegen van €195 miljard in 2000 naar €529 miljard in 2025. Dat is een toename van €334 miljard, oftewel 171 procent. In dezelfde periode groeide het bbp cumulatief met slechts 35,5 procent. Zelfs de optelsom van de jaarlijkse groei van de overheidsuitgaven, 103 procent, laat zien hoe sterk de collectieve sector is opgelopen ten opzichte van de economie die haar moet dragen.
Wie de reeks jaar voor jaar bekijkt, ziet twee periodes waarin Den Haag de uitgaven opvallend snel opvoerde. De eerste loopt van 2006 tot en met 2010. In die vijf jaar bedroeg de jaarlijkse stijging achtereenvolgens 7,5, 4,3, 7,1, 5,9 en 3,0 procent. Gemiddeld komt dat neer op 5,56 procent per jaar. Dat was de fase rond de kredietcrisis, de bankenreddingen en de wereldwijde financiële crisis van 2008 en 2009. De economie kreeg een schok, de overheid greep in en het uitgavenniveau sprong omhoog.
De tweede periode is nog markanter. Van 2020 tot en met 2025 stegen de overheidsuitgaven met 11,7, 4,9, 5,1, 7,4, 7,6 en 6,4 procent. Het gemiddelde over deze zes jaar bedraagt 7,18 procent per jaar. Eerst was daar Covid, daarna volgden energie-onrust, geopolitieke spanningen, de oorlog in het Midden-Oosten en een opnieuw oplopende handelsspanning door de tarievenoorlog van Trump. De context verschilt, het patroon niet: in een crisis groeit de overheid snel.
Wat daarbij opvalt, is dat de uitgaven wel versnellen in moeilijke jaren, maar daarna niet wezenlijk terugvallen. Er is geen echte correctie na een crisis, geen duidelijke stap terug. Elke schok lijkt een nieuw, hoger uitgavenplateau op te leveren. Tijdelijk beleid wordt structureel, incidentele steun wordt een blijvende last. Dat maakt de trend relevanter dan één begrotingsjaar.
Daar wringt het economisch. Als de overheid structureel harder groeit dan het bbp, ontstaat een gat tussen collectieve uitgaven en economisch draagvlak. Een overheid die veel sneller groeit dan de economie houdt op den duur geen gelijke tred meer met de basis waaruit die uitgaven moeten worden gefinancierd. Juist dat is te zien in de tabel: 103 procent uitgavengroei tegenover 35,5 procent bbp-groei. Wie verwacht dat een grotere overheid automatisch tot een evenredig grotere economie leidt, vindt in deze reeks weinig steun.
Dat verschil moet ergens worden opgevangen. In de praktijk betekent het dat de staat vaker en meer moet lenen op de kapitaalmarkt. De overheidsschuld bedroeg eind 2019 ongeveer €395 miljard en liep op naar circa €435 miljard in 2020, €449 miljard in 2021, €481 miljard in 2022, €481 miljard in 2023, €492 miljard in 2024 en €524 miljard in 2025. Niet elk jaar is dezelfde crisis zichtbaar, maar de richting is helder: een overheid die langdurig harder uitgeeft dan de economie groeit, trekt uiteindelijk meer schuld naar zich toe.
Ook aan de koopkrachtkant knarst het. Over de laatste zes jaar komt de cumulatieve bbp-groei uit op 9,8 procent, terwijl de inflatie in dezelfde periode 24,4 procent bedraagt. De economie groeit dus veel trager dan de geldontwaarding. Dat betekent dat geld minder waard wordt en dat inkomens, voor zover die uiteindelijk worden gedragen door de ontwikkeling van de economie, onder druk komen te staan. De Nederlander merkt dat niet alleen in abstracte tabellen, maar in dagelijkse prijzen, woonlasten en bestedingsruimte.
Daarmee wordt nog iets zichtbaar. De enorme groei van de overheidsuitgaven zorgt kennelijk niet vanzelf voor meer economische groei. Het is zelfs goed verdedigbaar dat een steeds grotere overheid productieve ruimte uit de economie trekt in plaats van die te vergroten. Meer collectieve uitgaven betekenen niet automatisch meer productiviteit, meer investeringen of meer verdienvermogen. Een grotere overheid is geen synoniem voor een sterkere economie.
De conclusie is daarom ongemakkelijk, maar helder: overheidsuitgaven en BBP groei groeien uit elkaar. En als dat te lang doorgaat, maakt de groei van de overheid de Nederlander niet rijker, maar armer. Niet omdat elke overheidsuitgave verkeerd is, maar omdat een overheid die structureel sneller groeit dan de economie uiteindelijk drukt op schuld, koopkracht en groeivermogen. De cijfers uit de afgelopen 25 jaar laten zien dat Nederland juist daar steeds dichter bij in de buurt komt.
BBP groei en Overheidsuitgaven groeien uit elkaar
De cijfers over 2000–2025 laten zien dat de Nederlandse overheid structureel sneller is gegroeid dan de economie. Hogere uitgaven hebben niet geleid tot een gelijke versnelling van het bbp. Tegelijk liep de inflatie harder op dan de recente bbp-groei. Dat tast koopkracht aan en vergroot de afhankelijkheid van schuld. Een grotere overheid blijkt daarmee niet automatisch een sterkere economie op te leveren.