Financiële column by Pedro Henrique Fuego (nom de plume)
In deze columns deelt Pedro H. zijn "take on the world of finance" met jou
(disclaimer; deze column is geen financieel advies en kan niet als zodanig worden gebruikt, win altijd advies in van een deskundige)

De AI-rally begint op 2000 te lijken, maar is nog geen dotcom-bubble….. of wel?
De koersen van Amerikaanse AI-, chip- en technologieaandelen stijgen in een tempo dat bij ervaren beleggers ongemak oproept. De Nasdaq noteert rond recordstanden, de halfgeleiderindices schieten omhoog en ook op het Damrak trekken ASML, ASMI en Besi de kar. Wie de beursgekte van eind jaren negentig heeft meegemaakt, herkent het patroon: een nieuw technologisch verhaal, enorme verwachtingen, stijgende koersen en het gevoel dat wie niet meedoet, de boot mist. Tegenwoordig FOMO genoemd.
Toch is de vergelijking met de dotcomperiode maar gedeeltelijk terecht. Rond 2000 stegen veel internetbedrijven zonder winst, zonder volwassen verdienmodel en soms zelfs zonder serieuze omzet. De beurs kocht toen vooral een belofte. De AI-rally van nu rust op een steviger fundament. Nvidia, ASML, TSMC, Microsoft, Alphabet, Amazon, Broadcom, ASMI en Besi zijn geen lege hulzen. Het zijn ondernemingen met omzet, winst, technologie, kasstromen en dominante marktposities.
Maar juist daarin schuilt het gevaar. Omdat de onderliggende bedrijven zo sterk zijn, wordt de waardering sneller goedgepraat. Beleggers kijken niet meer naar wat een aandeel vandaag waard is, maar naar wat het over vijf of tien jaar zou kunnen zijn als AI alles verandert heeft. Dat is begrijpelijk, maar ook erg riskant. Elke zeepbel begint met een goed verhaal. Het probleem ontstaat pas wanneer de prijs van dat verhaal loskomt van de werkelijkheid.
De waardering: niet alles is even duur, maar veel is al stevig geprijsd
Een belangrijk verschil met de dotcomperiode is dat veel AI-koplopers winstgevend zijn. Maar winstgevendheid alleen maakt een aandeel nog niet goedkoop. Daarvoor moet worden gekeken naar de koers-winstverhouding. De trailing K/W kijkt naar de gerealiseerde winst over de afgelopen twaalf maanden. De forward K/W kijkt naar de verwachte winst over de komende twaalf maanden. Juist die forward K/W is bij AI-aandelen belangrijk, omdat beleggers vooral toekomstige groei kopen.
Indicatieve waarderingen per 24 april 2026: zie tabel
Noot: koers-winstverhoudingen veranderen dagelijks en verschillen per databron. De tabel is bedoeld als indicatieve waarderingsmomentopname, niet als beleggingsadvies.
De cijfers laten zien dat de markt niet overal even euforisch is. Nvidia lijkt op basis van forward K/W minder duur dan men op gevoel zou denken, omdat de verwachte winstgroei enorm is. TSMC en Microsoft ogen relatief minder extreem. Maar bij ASML, ASMI, AMD, Broadcom en vooral Besi is de waardering fors. Bij Besi is het risico het duidelijkst: daar betaalt de markt nu al een zeer hoge prijs voor toekomstige groei in hybrid bonding en advanced packaging.
De keerzijde van AI: hogere marges, maar minder koopkracht
Daar komt een ander, minder besproken risico bij: de ontslaggolf in de Amerikaanse technologiesector. Veel grote technologiebedrijven snijden de laatste tijd fors in hun personeelsbestand, vaak met als argument dat AI processen efficiënter maakt en dat organisaties slanker moeten worden. Op korte termijn wordt dat door beleggers vaak positief ontvangen: lagere kosten, hogere marges en meer winst per aandeel. Maar macro-economisch zit er een gevaarlijke keerzijde aan.
De mensen die hun baan verliezen, zijn vaak goedbetaalde werknemers met veel koopkracht. Juist zij besteden aan software, hardware, cloudabonnementen, elektrische auto’s, streamingdiensten, online advertenties, huizen, reizen en consumptieve technologie. Als die groep voorzichtiger wordt, kan dat uiteindelijk de vraag raken naar de producten en diensten van dezelfde bedrijven die nu op kostenbesparingen worden beloond. Wat op bedrijfsniveau goed lijkt voor de marge, kan op sectorniveau dus vraaguitval veroorzaken. De markt prijst dan hogere efficiëntie in, maar onderschat mogelijk de schade aan de vraagkant van de economie.
In de tabel “ Overzicht ontslagen grote AI- en technologiebedrijven “ wordt weergegeven hoeveel ontslagen alleen al de grote bedrijven hebben aangekondigd of reeds uitgevoerd en de te verwachte ontslagen. Nu komt het total al uit op bijna 2,50% van het totale personeelsbestand van deze bedrijven. En we staan pas aan het begin van deze golf. De AI implementatie is pas net begonnen. Net als de parabolisch stijgende koersen van deze aandelen zullen de ontslagen ook parabolisch stijgen.
Als dat gebeurt dan komt de Federal Reserve nog meer in het nauw. Naast er voor te zorgen dat de inflatie rond de 2% blijft dient ook de werkeloosheid op 4% of minder te liggen. Dit is voor de bank de optimale situatie. De Amerikaanse economie zit nu al in een beginnende status van Stagflatie. Dus de inflatie gaat stijgen en dus zal de bank de rente moeten verhogen, maar de werkeloosheid gaat ook (fors) stijgen en dus zal de bank de rente moeten verlagen. En als de energiecrisis doorzet dan zal de recessive toeslaan en moet de bank ook de rente verlagen. Een enorme spagaat dus.
Overzicht ontslagen grote AI- en technologiebedrijven
Bevestigde en verwachte ontslagen, afgezet tegen het totale personeelsbestand zie tabel
IBM is wel meegenomen in het totale werknemersbestand, maar niet in de totaalsom van de ontslagen, omdat publiek alleen over 'duizenden' is gesproken en geen exact aantal is genoemd.
Bij Meta is circa 8.000 voor de eerste golf genoemd. Voor latere ontslagen in 2026 is nog geen exact openbaar getal genoemd. Het werkelijke percentage ligt daarom hoger dan de hier exact doorrekenbare 2,34%.
Bij Atlassian is naast circa 1.600 ontslagen gesproken over een kleinere aanvullende golf, maar zonder concreet aantal.
Bij Pinterest is uit gegaan van het bovengrensgetal van minder dan 780 ontslagen. Bij Block is gerekend met meer dan 4.000, dus ook daar is het werkelijke totaal mogelijk iets hoger.
Daarom geldt: de exact kwantificeerbare ontslagen komen uit op 47.380 banen, oftewel circa 2,34% van het gezamenlijke werknemersbestand. Inclusief niet-gekwantificeerde extra rondes ligt het werkelijke percentage waarschijnlijk hoger.
Wordt de Zeepbel doorgeprikt en wanneer?
Bij AI en halfgeleiders is dat risico inmiddels duidelijk zichtbaar. De koersen lopen vooruit op jarenlange groei, hoge marges en onverminderd stijgende investeringen in datacenters, chips, geheugen, energievoorziening en infrastructuur. Zolang de kwartaalcijfers dat beeld bevestigen, blijft de markt bereid om hoge waarderingen te betalen. Maar zodra één van de grote spelers een voorzichtiger toon aanslaat, kan het sentiment snel draaien.
De mogelijke prikker van de zeepbel hoeft niet spectaculair te zijn. Het kan een iets lagere outlook van Nvidia zijn. Een waarschuwing van ASML over orderinstroom. Een capex-verlaging bij Microsoft, Amazon of Google. Een opmerking van TSMC dat klanten voorzichtiger worden. Of nieuwe exportrestricties richting China. In een normale markt zouden zulke signalen tot een bescheiden daling leiden. In een parabolische markt kunnen ze een scherpe correctie veroorzaken.
Voor Nederlandse beleggers ligt de gevoeligheid vooral bij ASML, ASMI en Besi. ASML is de onmisbare poortwachter van de chipindustrie, maar daardoor ook extreem gevoelig voor verwachtingen rond nieuwe chipfabrieken, EUV-machines en geopolitiek. ASMI profiteert van geavanceerde productietechnologie, maar blijft afhankelijk van investeringscycli bij foundries. Besi is sterk gepositioneerd in hybrid bonding en advanced packaging, maar daar zit inmiddels uitzonderlijk veel hoop in de koers verwerkt.
Het meest waarschijnlijke scenario is daarom niet meteen een volledige dotcomachtige crash, maar eerst een stevige correctie. Een daling van 10% tot 20% in de bredere chip- en AI-sector zou in 2026 niet vreemd zijn. Bij individuele aandelen die zeer hard zijn opgelopen, kan een terugval van 25% tot 40% zelfs plaatsvinden zonder dat de lange termijntrend van AI fundamenteel kapot is.
De echte vraag is niet of AI belangrijk wordt. Dat is inmiddels duidelijk. De vraag is of beleggers vandaag niet te veel betalen voor toekomstige winsten die nog bewezen moeten worden. In 2000 was internet geen hype; internet bleek juist revolutionair. Maar veel internetaandelen waren destijds wél veel te duur. Dat onderscheid is cruciaal. Een technologie kan de wereld veranderen, terwijl de aandelen ervan tijdelijk veel te hoog gewaardeerd zijn.
Daarom voelt de huidige markt ongemakkelijk. De onderliggende trend is echt, maar de koersbeweging wordt steeds emotioneler. Beleggers kopen niet alleen groei, maar ook zekerheid, dominantie en toekomstfantasie. En juist toekomstfantasie is op de beurs gevaarlijk duur.
De AI-rally hoeft dus niet morgen te eindigen. Sterker nog, zolang winsten en orderboeken blijven stijgen, kan de markt langer doorgaan dan rationeel lijkt. Maar het risico neemt toe naarmate de grafieken steiler worden. Parabolische bewegingen eindigen zelden rustig. Ze eindigen meestal met een harde tik, veroorzaakt door een cijfer, een outlook of simpelweg door het besef dat de verwachtingen te hoog zijn opgelopen.
De les van 2000 is niet dat elke technologische revolutie een luchtbel is. De les is dat zelfs een echte revolutie geen enkele prijs rechtvaardigt. Dat gold voor internet toen. En dat geldt voor AI nu.

De tweede inflatiegolf kan de AEX hard raken
De les van de jaren zeventig is simpel: inflatie komt zelden netjes in één rechte lijn omlaag. Als Nederland eind dit jaar opnieuw richting 7 à 8 procent inflatie gaat, wordt de beurs op dit niveau erg kwetsbaar.
De waarschuwing zit in het patroon
Wie de inflatie van vandaag wil begrijpen, moet terug naar de jaren zeventig. Niet omdat de wereld van toen dezelfde is als nu, maar omdat het patroon akelig herkenbaar is. Eerst een enorme prijsdreun, daarna opluchting, en vervolgens toch weer een tweede golf.
Nederland kreeg in de jaren zeventig de volle laag. De oliecrisis joeg energieprijzen omhoog, lonen volgden, bedrijven verhoogden hun prijzen en de inflatie liep in 1975 op tot ruim 10 procent. Daarna leek het beter te gaan. Rond 1978 en 1979 zakte de inflatie terug naar ongeveer 4 procent. Maar dat bleek slechts pauze. Begin jaren tachtig kwam de tweede golf, opnieuw richting 6 à 7 procent.
Van corona naar Hormuz
Dat lijkt sterk op de situatie van nu. In 2020 was inflatie nog laag. Daarna kwamen corona, vastgelopen havens, dure containers, gesloten fabrieken, steunpakketten en goedkoop geld. Vervolgens kwam de energiecrisis. In 2022 schoot de Nederlandse inflatie naar 10 procent. Daarna zakte zij terug naar 3 à 4 procent.
Maar stel dat ING met haar recente inflatierapport gelijk krijgt en de inflatie eind dit jaar opnieuw richting 7 à 8 procent loopt. Dan zitten we in hetzelfde soort patroon als eind jaren zeventig: eerst de grote klap, dan een tijdelijke afkoeling, daarna de tweede golf.
Toen kwam de druk vooral uit olie, lonen en rente. Nu komt de druk uit de Straat van Hormuz: duurdere olie, duurder gas, hogere transportkosten, duurdere kunstmest en uiteindelijk hogere voedselprijzen. Wat ver weg begint, eindigt dan gewoon bij de Nederlandse kassa.
De beurs kijkt altijd vooruit
Voor de beurs is dat een giftige cocktail. De AEX bestond in 1973 nog niet; de index begon pas in 1983. Voor de jaren daarvoor moet je dus kijken naar de oudere Nederlandse beursindexen, zoals de ANP/CBS-index en bredere CBS-koersreeksen. Die laten vooral zien dat de beurs in de inflatiejaren geen positief verloop had. Hoge inflatie, hogere rente en onzekerheid zijn nooit goed voor aandelen.
Toen de inflatie begin jaren tachtig eindelijk brak, kwam er juist lucht. De AEX startte in 1983 op 100 punten, precies in een periode waarin de ergste inflatiedruk achter de rug was. Daarna liepen aandelen hard op. Dat is geen toeval. Dalende inflatie en dalende rente zijn brandstof voor hogere waarderingen.
Maar ook daar hoort een waarschuwing bij. In 1987 kwam de beurscrash. Na jaren van stevige stijging bleek de markt ineens veel te kwetsbaar. De les is duidelijk: als rente, inflatie en waarderingen uit balans raken, kan vertrouwen snel verdwijnen.
Waarom 7 à 8 procent inflatie zo gevaarlijk is
Als Nederland eind dit jaar echt op 7 à 8 procent inflatie staat, verandert het hele beursplaatje. Dan wordt het lastig om nog te rekenen op snelle renteverlagingen. Obligatierentes zullen oplopen. Bedrijven krijgen hogere financieringskosten. Consumenten verliezen koopkracht. En beleggers betalen minder voor toekomstige winst.
Vooral dure groeiaandelen worden dan geraakt. ASML, ASMI en Besi zijn prachtige bedrijven, maar hun waardering is gevoelig voor rente en investeringsverwachtingen. Als geld duurder wordt en klanten voorzichtiger worden, komt daar druk op. Banken kunnen tijdelijk profiteren van hogere rente, maar krijgen bij economische afkoeling juist meer kredietrisico. Shell kan steun krijgen van een hogere olieprijs, maar bij vraaguitval in de wereldeconomie is ook dat geen gratis zekerheid.
De ECB zit klem
Daar komt een probleem bij dat groter is dan in de jaren zeventig: de schuldenberg. Overheden zitten wereldwijd diep in het rood. Nederland staat er relatief netjes voor, maar in grote delen van Europa is de ruimte veel kleiner. Denk aan Frankrijk, Italië, Spanje en Portugal. Daar zal een forse rentestijging direct pijn doen in de staatskas.
Normaal moet een centrale bank bij hoge inflatie de rente verhogen. Maar de ECB zit in een klem. Laat zij de rente te laag, dan kan inflatie blijven doorwoekeren. Zet zij de rente stevig hoger, dan worden de rentelasten van zwakkere eurolanden snel zwaarder. Dan stijgen begrotingstekorten, wordt herfinanciering duurder en krijgen regeringen minder ruimte om burgers en bedrijven te helpen.
Precies op het moment dat huishoudens steun nodig hebben, kan de overheid zelf financieel vastlopen. Dan krijg je een nare combinatie: hoge prijzen, hogere rente, minder koopkracht, lagere bestedingen en overheden die minder kunnen verzachten. Voor beleggers is dat een alarmsignaal.
Ook defensief is niet altijd veilig
Vaak wordt gezegd dat defensieve fondsen de AEX dan wel overeind houden. Dat klinkt geruststellend, maar het is te makkelijk. Neem Unilever. Dat is een zwaargewicht in de AEX en wordt vaak gezien als veilige haven. Mensen blijven immers eten, wassen en schoonmaken.
Toch is ook Unilever niet immuun. Bij 7 à 8 procent inflatie in Nederland, en mogelijk vergelijkbare druk in Europa of wereldwijd, gaan consumenten anders kopen. Ze stappen over op huismerken, wachten op aanbiedingen, kopen minder premiumproducten en accepteren prijsverhogingen minder makkelijk. Dan kan Unilever wel omzet proberen vast te houden, maar volumes en marges komen onder druk.
Juist dat maakt het risico voor de AEX groter. Als niet alleen technologie en halfgeleiders dalen, maar ook defensieve zwaargewichten niet meer als veilige haven functioneren, wordt de correctie breder. Dan zakt niet één hoek van de markt, maar de hele index.
De harde beursconclusie
Zolang de inflatie blijft dalen, kan de AEX zich waarschijnlijk redelijk houden. Maar als de inflatie eind dit jaar werkelijk naar 7 à 8 procent gaat, zitten we in een tweede inflatiegolf. Dan lijkt het patroon meer op 1979-1982 dan op een normale tijdelijke prijsstijging.
Vanaf een AEX van rond de 1.000 punten is dat kwetsbaar. Een daling richting 900 punten zou dan geen paniekreactie zijn, maar een normale herwaardering. Als rente, olieprijs, winstmarges en consumentenbestedingen tegelijk tegenzitten, is een terugval richting 800 punten goed verdedigbaar.
Noot: De genoemde inflatie van 7 à 8 procent aan het einde van het jaar is in deze column verwerkt als scenario. De beursniveaus zijn geen voorspelling, maar een economische inschatting van mogelijke druk op waarderingen en winsten.



Niet olie, maar voedsel; de onderschatte economische dreiging door de afsluiting door Iran van de straat van Hormuz
Analyse | Opinie
Inleiding
Bij oplopende spanningen in het Midden-Oosten richten markten hun aandacht vrijwel automatisch op olie. Dat is begrijpelijk, want de Straat van Hormuz is een van de belangrijkste knelpunten in de mondiale energievoorziening. Zodra de doorgang onder druk komt te staan, reageren olieprijzen, tankermarkten en energieaandelen vrijwel direct.
Maar wie uitsluitend naar olie kijkt, ziet slechts een deel van het risico. Een verstoring rond Hormuz raakt niet alleen de energiestromen, maar ook de aanvoer van kunstmest, vloeibaar gas en andere essentiële grondstoffen voor de landbouw. Daarmee dreigt een geopolitieke crisis zich te vertalen in een bredere economische schok, met gevolgen voor voedselprijzen, koopkracht, renteverwachtingen en financiële stabiliteit.
Voedsel
De kwetsbaarheid zit in de keten. De moderne landbouw is in hoge mate afhankelijk van kunstmest, en de internationale handel daarin is sterk verweven met de Golfregio. Wanneer transportstromen door Hormuz vertragen of stilvallen, lopen niet alleen de energiekosten op, maar ook de kosten van landbouwproductie. Dat werkt door in vrijwel de gehele voedselketen.
Het economische effect daarvan is aanzienlijk. Hogere kunstmestprijzen betekenen voor boeren hogere kosten of lagere opbrengsten. In beide gevallen komt er druk op de voedselproductie. Die druk verplaatst zich vervolgens naar verwerkers, distributeurs en supermarkten, en uiteindelijk naar de consument. Waar hogere olieprijzen vooral zichtbaar zijn aan de pomp, zijn hogere voedselprijzen voelbaar in het dagelijks leven van vrijwel ieder huishouden.
Dat maakt voedselinflatie in economisch en maatschappelijk opzicht vaak ontwrichtender dan energie-inflatie. Consumenten kunnen autoritten beperken of investeringen uitstellen, maar zij kunnen hun basisuitgaven aan voeding niet eenvoudig terugschroeven. Juist daardoor tasten stijgende voedselprijzen de koopkracht direct aan en vergroten zij de kans op sociale onrust, vooral in landen waar huishoudens een groot deel van hun inkomen aan voedsel besteden.
Voor centrale banken is dat een lastig scenario. Een nieuwe inflatiegolf die niet primair door energie maar door voedsel wordt gevoed, is hardnekkiger van aard. Zij raakt de kern van het consumptiepatroon en kan renteverlagingen bemoeilijken. Dat betekent dat een conflict rond een maritieme handelsroute uiteindelijk kan uitmonden in strakkere financiële condities, lagere groei en verslechterende kredietkwaliteit.
Daarmee ontstaat een patroon dat markten vaker pas laat herkennen. Een verstoring begint in een ogenschijnlijk afgebakend deel van de wereldeconomie, in dit geval een geopolitiek en logistiek knelpunt. Daarna volgen prijsstijgingen in specifieke grondstoffen. Pas in een later stadium wordt zichtbaar dat het probleem systemisch is: hogere inputkosten, oplopende consumentenprijzen, terugvallende bestedingen en meer druk op balansen van bedrijven en huishoudens.
Ook Europa is daarvoor niet immuun. De regio is gevoelig voor energieprijzen, afhankelijk van internationale toeleveringsketens en kwetsbaar voor nieuwe voedselinflatie. Bovendien ontstaat in tijden van schaarste vaak een ongelijke verdeling van aanbod: rijke regio’s kunnen hogere prijzen betalen en blijven bevoorrading aantrekken, terwijl zwakkere economieën sneller in de knel komen. Economisch is dat verklaarbaar, politiek is het potentieel destabiliserend. Voor beleggers ligt daar eveneens een belangrijke les. Niet iedere crisis begint in de financiële sector, maar veel crises krijgen daar uiteindelijk wel hun neerslag. Als voedsel- en energieprijzen gelijktijdig oplopen, verslechtert de financiële positie van consumenten, boeren, transportbedrijven en andere kwetsbare schakels in de economie. Wat begint als een geopolitieke dreiging, kan zo via inflatie en lagere koopkracht alsnog doorwerken in kredietverliezen en een bredere economische vertraging.
Hand op de knip
De grootste fout die beleidsmakers en financiële markten nu kunnen maken, is deze situatie uitsluitend te benaderen als een klassieke oliecrisis. Dat zou de analyse te beperkt maken. Het wezenlijke risico zit in de combinatie van energie, kunstmest, voedsel en inflatie. Juist die samenloop kan een regionale escalatie omzetten in een mondiale economische schok.
De waarschuwing is daarom helder: wie alleen naar de olieprijs kijkt, onderschat de werkelijke omvang van het risico. Als de verstoringen rond Hormuz aanhouden, kan de volgende inflatiegolf niet alleen zichtbaar worden aan de pomp, maar vooral in de supermarkt. En zodra voedselprijzen structureel onder druk komen te staan, raakt dat niet alleen de consument, maar ook het monetair beleid, de kredietverlening en uiteindelijk de economische stabiliteit.
De vraag is dan niet meer of de gevolgen breed voelbaar worden, maar hoe snel.

Een nieuwe kredietcrisis in de maak? De schaduw van 2008 boven Wall Street.
Analyse | Opinie
Niet de huizenmarkt, maar private credit begint barsten te vertonen
In de financiële wereld duikt een woord weer op dat beleggers jarenlang liever niet hoorden; credit crunch. Niet omdat banken plotseling massaal omvallen of omdat de Amerikaanse huizenmarkt instort zoals in 2008. Maar omdat ergens anders in het financiële systeem een scheur zichtbaar wordt. En zoals de geschiedenis leert, beginnen financiële crises vaak precies zo: klein, lokaal en door velen aanvankelijk onderschat.
De huidige spanningen komen niet uit de hypotheekmarkt, maar uit de snel gegroeide wereld van private credit. Dat zijn bedrijfsleningen die niet door banken worden verstrekt, maar door grote vermogensbeheerders en gespecialiseerde fondsen. In de afgelopen tien jaar groeide deze markt explosief tot ongeveer twee biljoen dollar. Grote namen zoals BlackRock, Blackstone en Blue Owl Capital spelen daarin een centrale rol.
Om te begrijpen waarom dit belangrijk is, moeten we terug naar de financiële crisis van 2007–2008. Toen lag de oorzaak bij risicovolle Amerikaanse hypotheken. Banken hadden enorme hoeveelheden van die leningen verpakt in complexe obligaties. Toen huizenprijzen begonnen te dalen en wanbetalingen opliepen, bleek dat veel van die producten veel minder waard waren dan gedacht. Vertrouwen verdween en het kredietsysteem bevroor.
Vandaag is het mechanisme anders, maar het principe vergelijkbaar. Na de financiële crisis werden banken streng gereguleerd. Ze moesten meer kapitaal aanhouden en mochten minder risico nemen. Daardoor ontstond ruimte voor andere spelers. Vermogensbeheerders en private-equityhuizen sprongen in dat gat en begonnen zelf bedrijfsleningen te verstrekken. Pensioenfondsen, verzekeraars en vermogende particulieren investeerden massaal in deze fondsen omdat ze hogere rentes boden dan traditionele obligaties.
Jarenlang leek dat een perfecte constructie. Bedrijven kregen snel financiering, beleggers kregen een aantrekkelijk rendement en banken hielden hun balansen schoner. Maar precies daar begint nu de kwetsbaarheid zichtbaar te worden.
Veel private-creditleningen zijn verstrekt aan zogenoemde middle-market bedrijven: middelgrote ondernemingen met relatief hoge schulden. Zolang de economie groeit en de rente laag blijft, is dat beheersbaar. Maar de afgelopen jaren is de rente fors gestegen. Daardoor zijn de rentelasten voor veel van deze bedrijven aanzienlijk hoger geworden.
Het gevolg is dat het aantal wanbetalingen begint op te lopen. Sommige analyses laten zien dat het percentage defaults in private credit inmiddels richting negen procent beweegt. Dat is historisch hoog voor deze markt. Voor beleggers betekent dat niet alleen minder rente-inkomsten, maar ook onzekerheid over de werkelijke waarde van de leningen in hun portefeuilles.
Die onzekerheid werd begin dit jaar concreet toen verschillende private-creditfondsen te maken kregen met grote verzoeken van beleggers om geld terug te trekken. Bij fondsen van onder andere Blackstone, een kredietfonds dat onder BlackRock valt, moesten opnames tijdelijk worden beperkt. Dat gebeurt omdat de onderliggende leningen moeilijk snel te verkopen zijn. Anders gezegd: beleggers denken dat hun geld liquide is, maar de investeringen zelf zijn dat niet.
Ook Blue Owl Capital kwam onder druk te staan. Het bedrijf verkocht miljarden aan kredietactiva om beleggers uit te betalen en moest bij sommige fondsen de normale opnamestructuur aanpassen. Dat soort berichten werkt als een schokgolf op de beurs. Aandelen van bedrijven die sterk afhankelijk zijn van private credit reageerden direct met forse koersdalingen.
Toch betekent dit niet automatisch dat de wereld op de rand van een nieuwe financiële crisis staat. Er zijn belangrijke verschillen met 2008. Amerikaanse banken zijn vandaag veel sterker gekapitaliseerd en staan onder strenger toezicht. De hypotheekmarkt, destijds het epicentrum van de crisis, is relatief gezond. Huishoudens hebben gemiddeld betere balansen en minder risicovolle leningen.
Maar waar de vergelijking met de huizencrisis wel relevant wordt, is in de structuur van het financiële systeem. Net zoals vóór 2008 is een groot deel van het krediet verschoven naar een minder gereguleerd deel van de markt: de zogenoemde shadow banking sector. Daar vallen hedgefondsen, private-equityhuizen en private-creditfondsen onder. Het zijn instellingen die enorme hoeveelheden krediet verstrekken, maar niet dezelfde buffers hebben als banken.
Precies daar zit de kwetsbaarheid. Wanneer beleggers hun geld willen terughalen, kunnen fondsen gedwongen worden leningen te verkopen of opnames te beperken. Dat kan weer leiden tot lagere waarderingen elders in de markt. Zo kan stress zich verspreiden door het financiële systeem.
Voorlopig lijkt de situatie eerder op een sectorcorrectie dan op een systeemcrisis. De Amerikaanse economie groeit nog, banken verstrekken krediet en de kapitaalmarkten functioneren. Maar de spanningen rond private credit laten wel zien hoe snel een financieel succesverhaal kan omslaan.
De echte vraag voor de komende maanden is daarom niet of morgen een nieuwe financiële crisis uitbreekt. De vraag is of de enorme groei van de schaduwbanksector een punt heeft bereikt waarop lokale problemen kunnen overslaan naar het bredere financiële systeem.
Wie de geschiedenis kent, weet dat crises zelden beginnen waar iedereen kijkt. In 2007 begon het met een kleine scheur in de Amerikaanse hypotheekmarkt.
Vandaag kijken beleggers naar een andere hoek van Wall Street: niet naar huizen, maar naar bedrijfsleningen buiten het banksysteem. En de vraag die boven de markt hangt is dezelfde als bijna twintig jaar geleden:
hoe sterk blijft het systeem wanneer het vertrouwen begint te wankelen?

Benzineprijs in Nederland veel te hoog
17 maart 2026
De pompprijs in Nederland is geen natuurverschijnsel. Hij is in belangrijke mate een beleidskeuze. Wie nu €2,508 per liter voor Euro95 betaalt, rekent niet alleen af voor olie, raffinage en logistiek, maar vooral voor een fiscale constructie die in Nederland uitzonderlijk zwaar is: een hoge accijns per liter én btw over alles, inclusief die accijns.
Hoe de benzineprijs in Nederland is opgebouwd.
De twee grote heffingen zijn accijns (een vast bedrag per liter) en btw (een percentage dat wordt geheven over de som van product, marge én accijns). Bij een adviesprijs van €2,508 per liter komt de opbouw grofweg neer op:
- • Accijns: €0,8447 per liter
- • Btw-component in de pompprijs: circa €0,435 per liter
- • Totaal belasting (accijns + btw): circa €1,280 per liter
- • Netto product + keten (olie/raffinage/logistiek/marge): circa €1,228 per liter
Met andere woorden: ruim €1,28 van elke liter is overheid. En dat is precies waarom Nederland structureel aan de top zit.
Vergelijking met België, Duitsland, Frankrijk en Spanje.
Onderstaande tabel zet Nederland (adviesprijs) naast de laatst bekende gemiddelde pompprijzen in de genoemde landen. De kern: Nederland combineert een hoge vaste accijns met btw die óók over die accijns wordt geheven. (zie de tabel)
De uitkomst is voorspelbaar: Nederland kent een fiscale bodem die de pompprijs omhoog duwt, los van de vraag of olie een week hoger of lager staat.
Wat verdient de overheid extra sinds de oorlogsschok?
Een veelgehoord misverstand is dat de staat bij een hogere pompprijs automatisch ‘extra accijns’ binnenhaalt. Dat klopt niet: accijns is een vast bedrag per liter. De meevaller zit vooral in de btw, omdat die meebeweegt met de prijs.
Als de adviesprijs grofweg van €2,28 naar €2,508 stijgt, is dat €0,228 per liter extra. De btw die in een pompprijs zit, is prijs × 21/121. Daarmee komt de extra btw uit op circa €0,0396 per liter.
Bij een orde van grootte van circa 15,5 miljoen liter benzine per dag betekent dat ruwweg €0,6 miljoen extra btw per dag. Over twee weken prijsstress is dat ongeveer €8–9 miljoen extra btw (alleen benzine, orde van grootte). Gedragseffecten zoals minder rijden of tanktoerisme dempen dit, maar het principe blijft: btw werkt als automatische meelifter. Als we ook nog eens diesel zouden meenemen in dit verhaal dan stijgt de extra btw ontvangst voor de overheid tot minimal het dubbele bedrag.
Waarom is benzine nu hoger terwijl olie soms lager is dan ‘vroeger’?
Omdat de pompprijs allang geen simpele afgeleide meer is van de ruwe olieprijs. Drie factoren domineren:
1) Belastingbodem. Een groot deel van de literprijs is vaste accijns en btw. Dat deel verdwijnt niet als olie zakt.
2) Btw over accijns. Nederland heft btw niet alleen over product en marge, maar ook over accijns. Elke stijging aan de pomp levert de schatkist dus extra btw op.
3) Ketenfactoren. Raffinagemarges, logistiek, voorraden en risico-opslagen bewegen soms sterker dan de olieprijs zelf, zeker in geopolitieke stress.
De hoge benzinebelasting is geen bijwerking, maar het systeem
De kern is simpel: Nederland heeft autorijden tot fiscale melkkoe gemaakt. Met een adviesprijs van €2,508 bestaat de liter Euro95 voor een fors deel uit accijns en btw, en de btw loopt ook nog eens mee met elke schok in de wereld. Dat levert de staat automatisch extra inkomsten op, terwijl de automobilist aan de pomp geen enkele onderhandelingsmacht heeft.
Je kunt dit verkopen als ‘prikkelbeleid’. Je kunt het framen als ‘verduurzaming’. Maar zolang Nederland vasthoudt aan een uitzonderlijk hoge belastingdruk op benzine en btw rekent over de accijns blijft de uitkomst voorspelbaar: benzine in Nederland is structureel veel te duur.

Groei Nederlandse overheid maakt de Nederlander armer
Er zijn cijfers die niet schreeuwen, maar knagen. De Nederlandse overheidsuitgaven zijn gestegen van €195 miljard in 2000 naar €529 miljard in 2025. Dat is een toename van €334 miljard, oftewel 171 procent. In dezelfde periode groeide het bbp cumulatief met slechts 35,5 procent. Zelfs de optelsom van de jaarlijkse groei van de overheidsuitgaven, 103 procent, laat zien hoe sterk de collectieve sector is opgelopen ten opzichte van de economie die haar moet dragen.
Wie de reeks jaar voor jaar bekijkt, ziet twee periodes waarin Den Haag de uitgaven opvallend snel opvoerde. De eerste loopt van 2006 tot en met 2010. In die vijf jaar bedroeg de jaarlijkse stijging achtereenvolgens 7,5, 4,3, 7,1, 5,9 en 3,0 procent. Gemiddeld komt dat neer op 5,56 procent per jaar. Dat was de fase rond de kredietcrisis, de bankenreddingen en de wereldwijde financiële crisis van 2008 en 2009. De economie kreeg een schok, de overheid greep in en het uitgavenniveau sprong omhoog.
De tweede periode is nog markanter. Van 2020 tot en met 2025 stegen de overheidsuitgaven met 11,7, 4,9, 5,1, 7,4, 7,6 en 6,4 procent. Het gemiddelde over deze zes jaar bedraagt 7,18 procent per jaar. Eerst was daar Covid, daarna volgden energie-onrust, geopolitieke spanningen, de oorlog in het Midden-Oosten en een opnieuw oplopende handelsspanning door de tarievenoorlog van Trump. De context verschilt, het patroon niet: in een crisis groeit de overheid snel.
Wat daarbij opvalt, is dat de uitgaven wel versnellen in moeilijke jaren, maar daarna niet wezenlijk terugvallen. Er is geen echte correctie na een crisis, geen duidelijke stap terug. Elke schok lijkt een nieuw, hoger uitgavenplateau op te leveren. Tijdelijk beleid wordt structureel, incidentele steun wordt een blijvende last. Dat maakt de trend relevanter dan één begrotingsjaar.
Daar wringt het economisch. Als de overheid structureel harder groeit dan het bbp, ontstaat een gat tussen collectieve uitgaven en economisch draagvlak. Een overheid die veel sneller groeit dan de economie houdt op den duur geen gelijke tred meer met de basis waaruit die uitgaven moeten worden gefinancierd. Juist dat is te zien in de tabel: 103 procent uitgavengroei tegenover 35,5 procent bbp-groei. Wie verwacht dat een grotere overheid automatisch tot een evenredig grotere economie leidt, vindt in deze reeks weinig steun.
Dat verschil moet ergens worden opgevangen. In de praktijk betekent het dat de staat vaker en meer moet lenen op de kapitaalmarkt. De overheidsschuld bedroeg eind 2019 ongeveer €395 miljard en liep op naar circa €435 miljard in 2020, €449 miljard in 2021, €481 miljard in 2022, €481 miljard in 2023, €492 miljard in 2024 en €524 miljard in 2025. Niet elk jaar is dezelfde crisis zichtbaar, maar de richting is helder: een overheid die langdurig harder uitgeeft dan de economie groeit, trekt uiteindelijk meer schuld naar zich toe.
Ook aan de koopkrachtkant knarst het. Over de laatste zes jaar komt de cumulatieve bbp-groei uit op 9,8 procent, terwijl de inflatie in dezelfde periode 24,4 procent bedraagt. De economie groeit dus veel trager dan de geldontwaarding. Dat betekent dat geld minder waard wordt en dat inkomens, voor zover die uiteindelijk worden gedragen door de ontwikkeling van de economie, onder druk komen te staan. De Nederlander merkt dat niet alleen in abstracte tabellen, maar in dagelijkse prijzen, woonlasten en bestedingsruimte.
Daarmee wordt nog iets zichtbaar. De enorme groei van de overheidsuitgaven zorgt kennelijk niet vanzelf voor meer economische groei. Het is zelfs goed verdedigbaar dat een steeds grotere overheid productieve ruimte uit de economie trekt in plaats van die te vergroten. Meer collectieve uitgaven betekenen niet automatisch meer productiviteit, meer investeringen of meer verdienvermogen. Een grotere overheid is geen synoniem voor een sterkere economie.
De conclusie is daarom ongemakkelijk, maar helder: overheidsuitgaven en BBP groei groeien uit elkaar. En als dat te lang doorgaat, maakt de groei van de overheid de Nederlander niet rijker, maar armer. Niet omdat elke overheidsuitgave verkeerd is, maar omdat een overheid die structureel sneller groeit dan de economie uiteindelijk drukt op schuld, koopkracht en groeivermogen. De cijfers uit de afgelopen 25 jaar laten zien dat Nederland juist daar steeds dichter bij in de buurt komt.
BBP groei en Overheidsuitgaven groeien uit elkaar
De cijfers over 2000–2025 laten zien dat de Nederlandse overheid structureel sneller is gegroeid dan de economie. Hogere uitgaven hebben niet geleid tot een gelijke versnelling van het bbp. Tegelijk liep de inflatie harder op dan de recente bbp-groei. Dat tast koopkracht aan en vergroot de afhankelijkheid van schuld. Een grotere overheid blijkt daarmee niet automatisch een sterkere economie op te leveren.

De prijs van principes bij ABP
6 april 2026
Maakt de grootste Nederlandse pensioenbelegger zijn deelnemers welvarender of armer?
ABP en APG presenteren hun duurzame koers als een rationele langetermijnstrategie. Dat is niet per definitie onzin. ABP zegt zelf dat het wil zorgen voor een goed pensioen in een leefbare wereld, waarbij rendement, risico en kosten samen met duurzaamheid worden afgewogen. In het officiële beleid staat ook dat deelnemers via enquêtes en consultaties worden geraadpleegd over verantwoord beleggen. Dat betekent dat de duurzame koers niet volledig buiten deelnemers om is gekozen.
Maar daarmee is de kernvraag nog niet beantwoord. Deelnemers hebben geen pensioenfonds nodig om moreel gelijk te halen. Zij hebben een pensioenfonds nodig om koopkracht, vermogensgroei en een hogere oude dagvoorziening te realiseren. En op dat punt wordt het beeld ongemakkelijk. Over de periode 2016-2025 groeide €100 bij ABP tot ongeveer €153. In diezelfde tien jaar groeide €100 in de MSCI World Index ETF naar circa €292. Zelfs de veel strengere duurzame variant, de MSCI World SRI Filtered PAB, kwam nog uit op ongeveer €268. Dat betekent dat ABP in dit decennium niet alleen stevig achterbleef bij de gewone wereldindex, maar ook duidelijk achter bij een uitgesproken duurzame wereldbenchmark.
Wie de cijfers bekijkt, kan moeilijk volhouden dat de gekozen duurzame koers deelnemers aantoonbaar rijker heeft gemaakt. Integendeel. Deelnemers kregen wel een moreel ambitieus verhaal, maar geen rendement dat dat verhaal overtuigend ondersteunt. En als het rendement structureel achterblijft, wordt duurzaamheid niet het extra argument vóór het beleid, maar juist het extra pijnpunt in de discussie.
Vergelijkingen prestatie ABP met andere beleggingen en inflatie
Het verweer luidt vaak dat een pensioenfonds niet met een aandelenindex vergeleken mag worden. Formeel heeft dit een kern van waarheid. ABP heeft ook obligaties, vastgoed, private markten, valutahedges en renterisico-afdekking. Maar juist daar begint het probleem. Want een complexere portefeuille mag dan minder volatiel zijn, zij moet uiteindelijk wél aantonen dat die complexiteit waarde toevoegt. Tevens mag de vraag worden gesteld of obligaties nog wel passen in een pensioenportefeuille in een tijd waar de inflatie al jaren niet meer onder controle is.
In het jaarverslag 2024 rapporteert ABP zelf over 2024 een negatieve toegevoegde waarde van -1,7% ten opzichte van de benchmark, na -1,1% in 2023 en -0,3% in 2022. Dat wijst niet op een machine die jaar in jaar uit meerwaarde creëert, maar op een organisatie die in recente jaren juist sterk onderpresteert.
De vergelijking met inflatie en indexatie is nog pijnlijker. De voor ABP relevante Nederlandse prijsontwikkeling kwam in 2016-2025 samengesteld uit op ongeveer 37,1%. De feitelijke ABP-indexatie kwam in diezelfde periode uit op ongeveer 20,3%. Dat gat is enorm. Ja, er was een stevige inhaalslag met 11,96% in 2023, gevolgd door 3,03% in 2024, 1,84% in 2025 en nog eens 2,84% per 1 januari 2026. Komt dit door de betere prestaties, neen, of komt het door de wettelijke nieuwe rekenmethode, ja. Maar over het hele decennium is de achterstand niet weggewerkt. De deelnemer is dus niet alleen achtergebleven bij een eenvoudige wereldindex, maar ook bij de eigen prijsontwikkeling die bepalend is voor koopkrachtbehoud.
Dan zijn er de kosten. Van 2016 tot en met 2024 gaf ABP in totaal €28,83 miljard uit aan vermogensbeheer. In 2021 piekten die kosten op €5,596 miljard, met een kostendruk van 1,08 procentpunt. Dat zijn bedragen die je alleen kunt verdedigen als daar ook een aantoonbaar betere netto-uitkomst tegenover staat. Maar die zie je niet.
Huidig beleggingsmethodiek maakt deelnemers armer in plaats van rijker.
Mijn conclusie is logisch. De kostenload van ABP is te hoog. Niet omdat elk miljard aan vermogensbeheer per definitie verkeerd is, maar omdat zulke kosten alleen acceptabel zijn als deelnemers daar aantoonbaar beter van worden. Die bewijsvoering zie ik hier niet. Wat ik wél zie, is een patroon van hoge kosten, recente negatieve toegevoegde waarde, achterblijvende indexatie en een uitkomst die ver achterblijft bij zowel de MSCI World als bij een duurzame wereldbenchmark.
De stelling dat iedere afzonderlijke deelnemer het beter zal doen, zou ik niet als hard feit opschrijven. Niet iedere deelnemer kan of wil zelfstandig beleggen, en veel particulieren maken juist fouten. Maar als richting en oordeel is het punt helder: een uiterst eenvoudige, breed gespreide en goedkope wereldindex had in deze periode een veel beter resultaat opgeleverd dan wat ABP feitelijk heeft laten zien. Dat is vernietigend, juist omdat ABP zich beroept op professionaliteit, schaalvoordeel en deskundigheid.
De kern is dus niet dat duurzaam beleggen per definitie verkeerd zou zijn. De kern is dat APG en ABP hun deelnemers een duur, complex en ideologisch zwaar aangezet verhaal presenteren, terwijl de cijfers over de afgelopen tien jaar vooral laten zien dat eenvoud, lage kosten en brede spreiding veel beter hadden gewerkt. Wie dat onder ogen ziet, kan maar één conclusie trekken: de grootste Nederlandse pensioenbelegger heeft zijn deelnemers in dit decennium niet rijker gemaakt dan nodig was, maar aantoonbaar armer dan had gekund.
2 tabellen hieronder;

Datacentra verdringen Nederlandse huishoudens op het stroomnet
16 april 2026
Is het Nederlandse gezin het belangrijkste of de datacentra voor AI?
De Nederlandse energietransitie wordt verkocht als modern, schoon en uiteindelijk goedkoper. Maar wie naar het volle stroomnet kijkt, ziet iets anders gebeuren. Nederland digitaliseert, elektrificeert en bouwt tegelijk door aan datacentra. Datacentra die broodnodig zijn voor de AI-revolutie. Die combinatie zet het elektriciteitssysteem onder steeds grotere druk. En die druk gaat niet zorgen voor lagere energierekeningen. Deze zullen hoog blijven en waarschijnlijk nog veel hoger worden.
Nederlandse datacentra verbruikten in 2024 samen 5,1 terawattuur stroom, goed voor 4,6% van het totale Nederlandse elektriciteitsverbruik. Omgerekend is dat nu al ongeveer 24% van het stroomverbruik van alle Nederlandse huishoudens samen. Anders gezegd: datacentra gebruiken nu al bijna een kwart van wat alle huishoudens in Nederland gezamenlijk aan elektriciteit verbruiken.
En daarmee stopt het niet. Op basis van de zichtbare commerciële pijplijn van nieuwe datacentra in Nederland kan daar nog eens ongeveer 5,0 terawattuur extra vraag bijkomen. Als die plannen in vergelijkbare orde worden gerealiseerd en benut, loopt het gezamenlijke stroomverbruik van datacentra op naar circa 10,1 terawattuur per jaar. Dat zou neerkomen op ongeveer 47% van het huidige huishoudelijke stroomverbruik. Dus bijna de helft van wat alle Nederlandse gezinnen samen aan stroom gebruiken.
Dat zou nog verdedigbaar zijn als het net ruime overcapaciteit had. Maar dat is juist niet het geval. De rijksoverheid stelt zelf dat in grote delen van Nederland het elektriciteitsnet vol zit en dat netcongestie woningbouw, economische ontwikkeling en verduurzaming belemmert. Dat is geen technisch detail meer, maar een structureel capaciteitsprobleem.
Daarmee ontstaat een beangstigende werkelijkheid. Huishoudens krijgen al jaren te horen dat zij van het gas af moeten, elektrisch moeten koken, vaker een warmtepomp moeten nemen (binnenkort zelfs verplicht) en in het algemeen meer op elektriciteit moeten gaan draaien. Maar precies in diezelfde economie groeit ook de vraag van de grootverbruikers zoals datacentra hard door. De druk op het net neemt dus niet af, maar toe.
Meer vraag betekent meer investeringen in kabels, transformatorstations en netverzwaring. En die rekening komt uiteindelijk terug bij de gebruiker. En zeer waarschijnlijk vooral bij de Nederlandse gezinnen, omdat de datacenters mooie regelingen voorgeschoteld krijgen van onze overheid.
Dat zie je al terug in de netkosten. De transporttarieven en netbeheerkosten stijgen, en die zijn geen tijdelijke marktschommeling maar een structureel onderdeel van de stroomrekening. Als een land jarenlang zijn netten moet uitbreiden terwijl de vraag blijft groeien, is er weinig reden om aan te nemen dat elektriciteit structureel goedkoper wordt.
De fout in het politieke verhaal is dat elektrificatie vaak wordt gepresenteerd alsof die automatisch gunstig is voor de portemonnee van burgers. Dat kan in individuele gevallen zo zijn, maar op systeemniveau is het beeld veel minder rooskleurig. Een land dat tegelijk woningen, mobiliteit, warmte, industrie en digitale infrastructuur steeds afhankelijker maakt van stroom, maakt elektriciteit niet vanzelf overvloedig of goedkoop. Zeker niet als het netwerk op veel plekken al vol zit.
Dat betekent niet dat datacentra geen economische waarde hebben. Natuurlijk hebben zij die. Maar het betekent wel dat de maatschappelijke afweging tot nu toe te licht is geweest. Als datacentra nu al ongeveer een kwart van het huishoudelijke stroomverbruik vertegenwoordigen en dat bij verdere uitbouw kan oplopen richting de helft, dan verdringen zij huishoudens niet alleen op het net, maar ook in de prijsdruk op datzelfde systeem.
De conclusie is daarom helder. Mede door het toenemende aantal datacentra en hun hoge stroomvraag blijft de druk op het Nederlandse stroomnet bestaan. Daardoor is er weinig ruimte voor structureel dalende elektriciteitsprijzen. Integendeel: de combinatie van netcongestie, netverzwaring en stijgende vraag wijst eerder op verder oplopende kosten.
En precies daarom is de in Nederland feitelijk afgedwongen elektrificatie voor veel gezinnen niet goed, maar slecht voor de portemonnee. Wie huishoudens steeds afhankelijker maakt van stroom in een systeem waar schaarste en netkosten oplopen, maakt wonen niet goedkoper, maar duurder.

